Informatiedagen

Informatie dagen : Blijft volgen of bel voor informatie

 

 

 

 

 

Standby, Nieuws en feiten over tandheelkundige behandelmethoden

 

Het effect van roken op de parodontale botregeneratie

     Met dank aan ntvt   30-03-2012  
  Parodontologie

Het effect van parodontale behandeling wordt ongunstig beïnvloed door roken. Vooral het herstel van orale slijmvliezen is hierdoor beperkt. Systematisch literatuuronderzoek wijst uit dat na parodontale behandeling ook het bot, als gevolg van roken, slechter regenereert.

Abstract
The aim of this review is to systematically assess the effect of smoking on bone regeneration after periodontal treatment.
Methods: A protocol was established and studies were sourced from 5 electronic databases. Screening, data abstraction, and quality assessment was conducted by 2 review authors. Prospective and retrospective clinical studies assessing bone regeneration in smokers and non-smokers after periodontal therapy were selected. In addition, arms of clinical trials comparing different interventions that reported results separately for smokers and non-smokers were also included. Primary outcome measures were based on clinical and/or radiographic indicators of bone regeneration after periodontal therapy. The review and meta-analysis followed many of the recommendations outlined in the preferred reporting items for systematic reviews and meta-analyses statement.
Results: Six of 10 studies included in this review concluded that smoking negatively influenced bone regeneration. A meta-analysis of a subgroup of 3 studies demonstrated that smoking resulted in significantly less bone gain (P = 0.03) as measured by a change in the probing bone level after the treatment of intra-bony defects with guided tissue regeneration. The meta-analysis showed a standardized mean difference of -2.05 (95% confidence interval: -2.64 to -1.47) using the random effects model.
Conclusions: Smoking has a negative effect on bone regeneration after periodontal treatment. Patients should be advised that their smoking habit may result in poorer bone regeneration after periodontal treatment.

Bron
Patel RA, Wilson RF, Palmer RM. The effect of smoking on periodontal bone regeneration: a systematic review and meta-analysis. J Periodontol 2012; 83: 143-155.
doi: 10.1902/jop.2011.110130

Klinische relevantie
Parodontale (her)behandeling kan alleen positief uitpakken als de patiënt niet alleen op de hoogte is van het ongunstige effect van roken op de behandeling, maar het roken ook daadwerkelijk staakt.

 
     

Meerdere onjuiste beslissingen leiden tot een verkeerde diagnose

   
Promotie

Omdat verkeerde diagnoses in de geneeskunde vaak laat worden ontdekt, zijn de gevolgen hiervan vaak ernstiger dan die van andere typen medische fouten. Laura Zwaan onderzocht waardoor verkeerde diagnoses kunnen worden veroorzaakt. Zij promoveerde op dit onderzoek op 16 maart j.l. aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Verkeerde diagnoses worden meestal veroorzaakt doordat er meerdere kleine foutjes tegelijk voorkomen. Ook een hoog ervaren werkdruk en een beperkte werkervaring spelen een rol. Verkeerde diagnoses zijn echter niet altijd te wijten aan de arts. Een atypische presentatie van een ziekte kan ook leiden tot een verkeerde diagnose.
Het diagnostisch proces is complex en een arts moet veel informatie over een patiënt verzamelen en interpreteren om tot een diagnose te komen. Zwaan onderzocht suboptimale beslissingen in het diagnostisch redeneerproces. Dit zijn beslissingen die mogelijk kunnen bijdragen aan een foute diagnose. Voorbeelden hiervan zijn het niet achterhalen van alle benodigde informatie over een patiënt, of een incorrecte interpretatie van een testresultaat. Voor haar onderzoek bestudeerde de promovenda onder andere de medische dossiers van 247 patiënten die met kortademigheid in het ziekenhuis kwamen en door medische experts werden onderzocht. Bij 66% van de patiënten werden 1 of meer suboptimale beslissingen genomen bij het vaststellen van de diagnose. In de meeste gevallen leidde de suboptimale beslissingen niet tot een verkeerde diagnose omdat er toch voldoende informatie beschikbaar was om tot de juiste diagnose te komen.
Echter, hoe meer suboptimale beslissingen per ziektegeval werden genomen, hoe vaker dit tot een verkeerde diagnose leidde. Overigens kan ook een optimaal verlopen proces tot een verkeerde diagnose leiden, bijvoorbeeld omdat patiënten afwijkende symptomen hebben, waardoor niet meteen duidelijk is wat er aan de hand is. Daarnaast toonde Zwaan aan dat een hoog ervaren werkdruk en geringe werkervaring van de betrokken artsen waren gerelateerd aan het ontstaan van verkeerde diagnoses. Artsen kunnen het proces van diagnose stellen verbeteren door zich niet te snel te richten op een enkele diagnose en door bestaande richtlijnen toe te passen.

Persvoorlichting Vrije Universiteit Amsterdam

Bron
Zwaan L. Diagnostic reasoning and diagnostic error in medicine. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2012. Academisch proefschrift. Promotores: prof. dr. D.R.M. Timmermans en prof. dr. G. van der Wal.

Lees de samenvatting van het proefschrift

De belangrijkste bevindingen uit het proefschrift:
De schadelijke gevolgen van verkeerde diagnoses zijn vaak ernstiger dan andere typen medische fouten.
Suboptimale beslissingen komen regelmatig voor in het diagnostisch proces, maar hebben meestal geen gevolgen voor de patiënt. Echter, als er meer suboptimale beslissingen worden genomen is de kans op een verkeerde diagnose en/of schade bij de patiënt groter.
Artsen zijn zich meestal niet bewust van de suboptimale beslissingen die zij nemen.
Als artsen te selectief zijn in het verzamelen en/of verwerken van diagnostische informatie kan deze ‘tunnelvisie’ leiden tot een verkeerde diagnose.
Subjectief ervaren werkdruk en weinig werkervaring zijn gerelateerd aan verkeerde diagnoses en eventuele schadelijke gevolgen voor de patiënt.
Als artsen bij het diagnosticeren hun intuïtie volgen, bestaat de mogelijkheid dat zij soms objectieve factoren over het hoofd zien.

 
     

Bijzonderheden in de Bijzondere Tandheelkunde…

   
Column

Kortgeleden begon mijn stageperiode in een praktijk voor Bijzondere Tandheelkunde. Verrassend fris vertrek ik 3 kwartier voor tijd en kom na een 20 minuten durend ritje, met een spierwit pak in mijn tas, aan bij de tandartspraktijk. Ik word ontvangen door de assistente en probeer een goede indruk te maken door een ferme handdruk te geven. Zo’n eerste dag heb ik zelf meer ingeschat als ‘meekijkdag’ dan een dag waarop ik al verschillende behandelingen mag uitvoeren.

Maar nee, als mijn begeleider, een gespecialiseerde tandarts, de behandelkamer binnenstapt worden er direct verschillende patiëntenkaarten uitgedraaid en moeten de spinnenraggen in mijn hoofd plaats maken voor draaiende motoren.
De eerste patiënt is een vrouw met een beperkte mondopening. Er is geen tijd voor een generale repetitie dus moet ik direct de show te stelen en het publiek voor me winnen. Terwijl ik naar de wachtkamer loop, repeteer ik alles wat mogelijk kan leiden tot een beperkte mondopening. Ik adem in, tover een prodentglimlach op mijn gezicht en open de deur: “Goedemorgen mevrouw, komt u verder, dan mag u plaats nemen in de stoel”. Gelukkig mag ik beginnen met één van mijn betere kwaliteiten: kletsen! Al snel blijkt het om een echte craniomaindibulaire disfunctieklacht te gaan en koortsachtig probeer ik me alle testen te herinneren die ik eindeloos op mijn medestudenten heb geoefend. Na enige twijfel besluit ik de patiënt nog even te belasten door de mondopening op te rekken en stel vast dat deze klacht van myogene oorsprong is en weer is gaan opspelen als gevolg van stress. Dat mijn begeleider vorige week dezelfde diagnose stelde geeft me een goede boost! Zo, de kop is eraf!
De volgende patiënt is een meisje van een jaar of 5. Eerst wordt de lachgasbus klaargezet en ik staar als gehypnotiseerd naar de slangen en maskers die hierbij nodig zijn. Een klein, lachend meisje komt achteruitlopend de behandelkamer in, kruipt in de behandelstoel, krijgt een mooi varkenssnuitje op en begint naar de ‘101 Dalmatiërs’ te staren. Heerlijk rustig verloopt de behandeling, hoewel papa toch licht gespannen op zijn stoel zit te draaien. Kinderen behandelen in deze serene rust is bijzonder prettig aan de Bijzondere Tandheelkunde.
Diezelfde dag gebruiken we het lachgas nog een keer bij een jongen met een verstandelijke beperking. Hij spreekt geen Nederlands en ik geen Arabisch, dus moet ik leren non-verbaal te communiceren. Deze jongen lijdt ook nog eens aan een huidsyndroom, waardoor zijn hele gezicht onder de branderige littekens zit. Ik moet eerlijk toegeven dat ik baalde van de drempel die ik kort voelde om hem aan te raken. Wat een onzin eigenlijk! Deze jongen zit gevangen in een lichaam vol (pijnlijke) littekens, is er 1 goede reden om hem niet aan te raken?
We sluiten de dag af met een esthetische behandeling in de onderkaak, ruimen de boel op en dienen aanvragen in bij de verzekering.
‘Op mijn tandvlees lopend’ verlaat ik de praktijk. Deze dummy heeft genoeg gezien om over na te denken. Maandag doe ik dat beslist, maar éérst is het weekend.

Lisa Vermeulen, student Tandheelkunde ACTA

 
     

Gelijk eindresultaat na verschillende behandelwijze van een klasse II/-malocclusie

   
Orthodontie

Voor behandeling van een klasse II-malocclusie, diepe beet en retroclinatie van incisieven, in de bovenkaak bestaan 2 opties: met of zonder extraheren van de premolaren in de bovenkaak. Uit de resultaten van een systematisch literatuuronderzoek blijkt dat geen van beide methoden de voorkeur geniet.

Abstract
Correction of the type of dental problem where the bite is deep and the upper front teeth are retroclined (Class II division 2 malocclusion) may be carried out using different types of orthodontic treatment. However, in severe cases, surgery to the jaws in combination with orthodontics may be required. In growing children, treatment may sometimes be carried out using special upper and lower dental braces (functional appliances) that can be removed from the mouth. In many cases this treatment does not involve taking out any permanent teeth. Often, however, further treatment is needed with fixed braces to get the best result. In other cases, treatment aims to move the upper first permanent molars backwards to provide space for the correction of the front teeth. This may be carried out by applying a force to the teeth and jaws from the back of the head using a head brace (headgear) and transmitting this force to a part of a fixed or removable dental brace. This treatment may or may not involve the removal of permanent teeth. In some cases, neither functional appliances nor headgear are required and treatment may be carried out without extraction of any permanent teeth. Instead of using a headgear, in certain cases, the back teeth are held back in other ways such as with an arch across or in contact with the front of the roof of the mouth which links 2 bands glued to the back teeth. Often in these cases, 2 permanent teeth are taken out from the middle of the upper arch (one on each side) to provide room to correct the upper front teeth. It is important for orthodontists to find out whether orthodontic treatment only, carried out without the removal of permanent teeth, in children with a Class II division 2 malocclusion produces a result which is any different from no orthodontic treatment or orthodontic treatment only involving extraction of permanent teeth.
Objectives: To establish whether orthodontic treatment, carried out without the removal of permanent teeth, in children with a Class II division 2 malocclusion, produces a result which is any different from no orthodontic treatment or orthodontic treatment involving removal of permanent teeth.
Search strategy: The following electronic databases were searched: the Cochrane Oral Health Group Trials Register (to 23 November 2011), the Cochrane Central Register of Controlled Trials (CENTRAL) (The Cochrane Library 2011, Issue 4), MEDLINE via OVID (1948 to 23 November 2011), and EMBASE via OVID (1980 to 23 November 2011). International researchers, likely to be involved in Class II division 2 clinical trials, were contacted to identify any unpublished or on-going trials.
Selection criteria: Trials were selected if they met the following criteria: randomised controlled trials (RCTs) and controlled clinical trials (CCTs) of orthodontic treatments to correct deep bite and retroclined upper front teeth in children.
Data collection and analysis: Screening of eligible studies, assessment of the methodological quality of the trials and data extraction were to be conducted in duplicate and independently by 2 review authors. Results were to be expressed as random-effects models using mean differences for continuous outcomes and risk ratios for dichotomous outcomes with 95% confidence intervals. Heterogeneity was to be investigated including both clinical and methodological factors.
Main results: No RCTs or CCTs were identified that assessed the treatment of Class II division 2 malocclusion in children.
Authors' conclusions: It is not possible to provide any evidence-based guidance to recommend or discourage any type of orthodontic treatment to correct Class II division 2 malocclusion in children.

Bron
Millett DT, Cunningham S, O'Brien KD, Benson PE, Williams A, de Oliveira CM. Orthodontic treatment for deep bite and retroclined upper front teeth in children. Cochrane Database of Systematic Reviews 2006: 18, CD005972.
doi: 10.1002/14651858.CD005972.pub2

Klinische relevantie
Als behandelopties zo sterk kunnen verschillen zonder dat het behandelresultaat wordt beïnvloed, rest de conclusie dat de ervaring van de behandelaar met de specifieke methode van het grootste gewicht is.

 
     

De efficiëntie van LED uithardingslampen

   
Materiaalkunde

Fabrikanten van moderne LED uithardingslampen geven soms aan dat de belichtingstijd tot 5 seconden kan worden verkort met behoud van een hoge polymerisatiegraad van de composiet. De uitkomst van dit onderzoek laat zien dat er minimaal een belichtingstijd van 20 seconden nodig is voor het adequaat polymeriseren van een composietlaag van 2 mm.

Abstract
The aim of this study was to examine whether there are differences in the curing efficiency of modern LED curing units by assessing their effect on 2 different composite materials and by varying the irradiation time. A nano- and a micro-hybrid resin-based composite (RBC) were polymerised for 5, 10 and 20 s with 3 commercial and a Prototype LED unit (Elipar™ S10). Cylindrical specimens (6 mm in depth, 4 mm in diameter) were prepared in 3 increments, each 2-mm thick, and were consecutively cured. Degree of cure was measured for 20 min in real time at the bottom of the samples, starting with the photo-initiation. The micromechanical properties (modulus of elasticity, E and Vickers hardness, HV) were measured as a function of depth, in 100-?m steps, on the above described samples stored in distilled water for 24 h at 37°C. Data were analysed with multivariate ANOVA followed by Turkey's test, t-test and partial eta-squared statistics. In descending order of the strength of their effect, the type of RBC, depth, polymerisation time and curing unit were significant factors affecting the micro-mechanical parameters (p<0.05). The degree of cure at 6-mm depth was less, but significantly influenced by the curing unit and curing time and was independent from the type of RBC. A 5-s irradiation time is not recommended for these units. Whereas a 5-s irradiation is acceptable at the sample's surface, a minimum of 20 s of irradiation is necessary for an adequate polymerisation 2 mm beyond the surface.

Bron
Rencz A, Hickel R, Ilie N. Curing efficiency of modern LED units. Clin Oral Invest 2012; 16: 173-179. doi: 10.1007/s00784-010-0498-3

Klinische relevantie
De aanbevelingen van fabrikanten van LED uithardingslampen met een zeer korte belichtingstijd laten onverlet dat voor een hoge polymerisatiegraad van een laag van 2 mm composiet minstens een belichtingstijd van 20 seconden noodzakelijk is.

 
     

Heeft flossen zin?

   
Parodontologie

In een interview in het Nederlands Tandartsenblad vorig jaar betoogde hoogleraar Fridus van der Weijden dat flossen geen enkel effect heeft op plaque en gingivitis. Een Australisch bevolkingsonderzoek komt tot een tegengestelde conclusie.

Abstract I
Objectives: To ascertain whether interdental cleaning behaviours of Australian adults were associated with lower levels of plaque, gingivitis and periodontal disease.
Material and Methods: Data were obtained from the National Survey of Adult Oral Health 2004-06 (NSAOH). Outcome variables were 3 indicators of oral hygiene outcomes (the presence or not of dental plaque, dental calculus and gingivitis) and 2 of periodontal disease (the presence or not of at least one tooth with a periodontal pocket or clinical attachment loss of 4 mm or more). The independent variable was classified into the following 3 groups: regularly clean interproximally ‘at least daily’ (daily+); ‘less than daily’ (< daily); and ‘do not regularly clean interproximally’ (reference group). Poisson regression with robust variance estimation was used to calculate prevalence ratios (PRs) and 95% confidence intervals (95% CIs) relative to the reference group, adjusted for covariates.
Results: Regular self interdental cleaning was associated with less dental plaque, less dental calculus and lower levels of moderate/severe gingivitis. Periodontal pocketing was less likely for the< daily group, but was not associated with daily+ cleaning. There was not a significant association between interdental cleaning and clinical attachment loss.
Conclusion: Regular interdental cleaning was associated with better oral hygiene outcomes, such as dental plaque and gingivitis, although there was no significant association between regular interdental cleaning and clinical attachment loss.

Bron
Crocombe LA, Brennan DS, Slade GD, Loc DO. Is self interdental cleaning associated with dental plaque levels, dental calculus, gingivitis and periodontal disease? J Periodont Res 2012; 47: 188-197. doi: 10.1111/j.1600-0765.2011.01420.x

Abstract II
Objectives: The aim of this study was to assess systematically the adjunctive effect of both flossing and tooth brushing versus tooth brushing alone on plaque and gingivitis.
Materials: The MEDLINE and Cochrane Central register of Controlled Trials (CENTRAL) databases were searched through December 2007 to identify appropriate studies. The variables of plaque and gingivitis were selected as outcomes.
Results: Independent screening of titles and abstracts of 1.166 MEDLINE–Pubmed and 187 Cochrane papers resulted in 11 publications that met the eligibility criteria. Mean values and SD were collected by data extraction. Descriptive comparisons are presented for brushing alone or brushing and flossing. A greater part of the studies did not show a benefit for floss on plaque and clinical parameters of gingivitis. A meta-analysis was performed for the plaque index and gingival index.
Conclusions: The dental professional should determine, on an individual patient basis, whether high-quality flossing is an achievable goal. In light of the results of this comprehensive literature search and critical analysis, it is concluded that a routine instruction to use floss is not supported by scientific evidence.

Bron
Berchier CE, Slot DE, Haps S, Weijden GA van der. The efficacy of dental floss in addition to a toothbrush on plaque and parameters of gingival inflammation: a systematic review. Int J Dent Hygiene 2008; 6: 265-279.

Interview met Fridus van der Weijden, hoogleraar Preventie en therapie van parodontale aandoeningen aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). In: Nederlands Tandartsenblad 2011; 6: 28-31.

Klinische relevantie
Op een goede manier blijven flossen is voor veel mensen moeilijk. De resultaten van dit nationale gezondheidsonderzoek in Australië laten wel zien dat het gebruik van tandfloss niet zinloos is.

 
     

Periapicale pathologie is geen belemmering voor directe plaatsing van implantaat

   
Implantologie en Endodontologie

De prognose van een implantaat na directe plaatsing in de extractiealveole met periapicale pathologie (fistel of granulatieweefsel), is net zo goed als van een implantaat dat is geplaatst in een intacte processus alveolaris.

Abstract
Objectives: Many patients requiring implant therapy present with hopeless teeth exhibiting periapical pathology. The advisability of implant placement in such situations has not been conclusively determined. The following retrospective analysis assesses implant survival rates when implants are placed in sites with periapical pathology and sites without periapical pathology in the same patient
Methods: Sixty-four patients underwent therapy in their maxillary incisor region. Treatment consisted of immediate implant placement in a site demonstrating periapical pathology, and immediate implant placement in a ‘pristine’ site, either during the same visit or during separate visits. The implants placed in the sites demonstrating periapical pathology were followed in function for 117 months or less, with a mean time in function of 64 months. The implants placed in pristine sites were followed in function for 120 months or less, with a mean time in function of 62 months.
Results: Two implants in the central incisor positions of 1 patient demonstrated 2 mm of buccal recession after 46 months in function. These implants were deemed aesthetic failures, despite the absence of inflammation and continued clinical implant immobility, yielding cumulative survival rates of 98.1% and 98.2 % for implants placed in sites with periapical pathology and implants placed in sites without periapical pathology, respectively, according to published criteria.
Conclusions: Implants immediately placed in sites demonstrating periapical pathology yielded results comparable to those immediately placed in pristine sites. The difference in survival rates was not statistically significant.

Bron
Fugazzotto PA. A retrospective analysis of implants immediately placed in sites with and without periapical pathology in sixty-four patients. J Periodontol 2012; 83:182-186.
doi: 10.1902/jop.2011.110016

Klinische relevantie
De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op directe plaatsing van een implantaat na extractie bij eenzelfde patiënt. Het betrof enkelwortelige gebitselementen. Over de prognose van implantaten in meerwortelige extractiealveolen, met en zonder periapicale pathologie, kan op grond van dit onderzoek geen uitspraak worden gedaan.

 
     

Praktijkgericht e-Learning

   
Webbespreking

Voor de tandarts die op een zelfgekozen tijdstip nascholing wenst, biedt AccreDidact e-Learning. In 3 uur tijd doorloopt men een programma over een praktisch tandheelkundig onderwerp. Bij ieder onderwerp hoort bovendien een rijk geïllustreerd naslagwerk.
AccreDidact is een onafhankelijk en niet-gesponsord nascholingsinstituut met geaccrediteerde programma’s voor medische professionals. Sinds 1996 heeft het instituut meer dan 300 nascholingen voor de huisartsenpraktijk en apotheek uitgebracht en ruim 9.000 abonnees ingeschreven.

Dit jaar brengt AccreDidact 4 geaccrediteerde programma’s uit voor tandartsen. Hiermee kan men in totaal 16 KRT-punten verzamelen. De behaalde punten worden rechtstreeks toegevoegd aan het digitale KRT-nascholingsdossier. De programma's zijn: De spuitafdruk - Restaureren na endodontische behandeling 1 - Restaureren na endodontische behandeling 2 - Niet-restauratieve caviteitsbehandeling bij kinderen.
Elk programma wordt afgesloten met een onlinetoets waarvan de uitslag direct is te zien. Per e-mail ontvangt men een deelnamecertificaat.
Deelnemers kunnen een abonnement nemen voor de 4 programma's, maar elk programma is ook los verkrijgbaar via de webwinkel. Op de website is eveveens een demonstratieprogramma te bekijken. Uitgebreide informatie en inschrijven.

 

Ferrule voorkomt breuk van endodontisch behandeld gebitselement

Met dank aan ntvt  02-03-2012  
Endodontologie en Biomechanica

De ferrule is het gedeelte van het natuurlijke gebitselement dat na endodontische behandeling nog boven de gingiva uitsteekt. Uit een systematisch literatuuronderzoek komt naar voren dat de ferrule bij voorkeur een hoogte van 1,5 tot 2 mm moet hebben. In combinatie met een wortelstift kan een circulaire ferrule de fractuurweerstand van endodontische behandelde gebitselementen sterk verhogen en de prognose van een geplaatste kroon verbeteren.

Abstract
Preserving intact coronal and radicular tooth structure, especially maintaining cervical tissue to create a ferrule effect, is considered to be crucial for the optimal biomechanical behaviour of restored teeth. The ferrule effect has been extensively studied and still remains controversial from many perspectives. The purpose of this study was to summarize the results of research conducted on different issues related to the ferrule effect and published in peer-reviewed journals listed in PubMed.
Methods: The search was conducted using the following key words: ‘ferrule’ and ‘ferrule effect’ alone or in combination with ‘literature review’, ‘fracture resistance’, ‘fatigue’ ‘finite element analysis’ and ‘clinical trials’.
Results: The findings from reviewed articles were categorized into 3 main categories: laboratory studies, computer simulation, and clinical trials. Laboratory studies were further classified into subchapters based on the main aspect investigated in relation to the ferrule effect.
Conclusions: The presence of a 1.5- to 2-mm ferrule has a positive effect on fracture resistance of endodontically treated teeth. If the clinical situation does not permit a circumferential ferrule, an incomplete ferrule is considered a better option than a complete lack of ferrule. Including a ferrule in preparation design could lead to more favourable fracture patters. Providing an adequate ferrule lowers the impact of the post and core system, luting agents, and the final restoration on tooth performance. In teeth with no coronal structure, in order to provide a ferrule, orthodontic extrusion should be considered rather than surgical crown lengthening. If neither of the alternative methods for providing a ferrule can be performed, available evidence suggests that a poor clinical outcome is very likely.

Bron
Juloski J, Radovic I, Goracci C, Vulicevic ZR, Ferrari M. Ferrule effect: A literature review. J Endod 2012; 38: 11-19. doi: 10.1016/j.joen.2011.09.024

Klinische relevantie
Over de noodzaak van een ferrule wordt soms getwijfeld (Tandartspraktijk 2007; 28: 12-14). De conclusies van de auteur van dit artikel zijn echter gebaseerd op een beperkt aantal onderzoeken. Het literatuuronderzoek van Juloski et al omvat meer onderzoeksverslagen, benadrukt de wenselijkheid van ferrule en geeft tips als een volledige, circulaire ferrule lastig is te realiseren.

 
     

Antibiotica en monddesinfectie geven het beste behandelresultaat bij agressieve parodontitis

   
Parodontologie en Microbiologie

Generaliseerde agressieve parodontitis kent een progressief verloop. Zonder parodontaal ingrijpen leidt dit tot ernstig aanhechtingsverlies en botdestructie. Het herstel van de parodontale gezondheid, in de vorm van verminderde bloeding en reductie van de pocketdiepte, verloopt gedurende een periode van 6 maanden voorspoediger als een niet-chirurgische parodontale behandeling met monddesinfectie (chloorhexidine) wordt gecombineerd met een systemische toediening van metronidazol en amoxicilline.

Abstract
The present investigation aimed to analyse clinical and microbiological effects of systemic administration of metronidazole and amoxicillin combined with the One-Stage-Full-Mouth-Disinfection protocol (OSFMD) in generalized aggressive periodontitis patients (G-AgP).
Materials and Methods: Thirty-nine systemically healthy patients with G-AgP were consecutively included. The test group (n = 19) received amoxicillin-metronidazole combination (500 mg of each, three times a day for 7 days) and the OSFMD, the control group (n = 20) received the OSFMD and a placebo. In addition to clinical parameters subgingival plaque samples from moderate (4-5 mm) and deep (6 mm) pocket sites were analysed for the presence of Aggregatibacter actinomycetemcomitans, Prevotella intermedia, Porphyromonas gingivalis, Tannerella forsythia, and Treponema denticola using polymerase chain reaction.
Results: Both therapies led to a statistically significant decrease in clinical and microbiological parameters compared to baseline (p < 0.001). The most beneficial changes were observed in the test group which showed significantly greater improvements in probing depth and clinical attachment level and a lower prevalence of Aggregatibacter actinomycetemcomitans, Treponema denticola, and Tannerella forsythia compared to the control one (p < 0.05).
Conclusions: Systemic administration of metronidazole and amoxicillin as an adjunct to OSFMD therapy significantly improved clinical and microbiological outcomes in patients with G-AgP over a 6-month period.

Bron
Aimetti M, Romano F, Guzzi N, Carnevale G. Full-mouth disinfection and systemic antimicrobial therapy in generalized aggressive periodontitis: a randomized, placebo-controlled trial. J Clin Periodontol 2012; 39: 284-294. doi: 10.1111/j.1600-051X.2011.01795.x

Klinische relevantie
In de gezondheidszorg is terughoudendheid met het gebruik van antibiotica geboden. Het resultaat van dit onderzoek toont echter een bijzondere indicatie. In een periode van 6 maanden bleek de combinatie van antibiotica (amoxicilline/metronidazol) met de klassieke parodontale therapie inclusief monddesinfectie, het reinigen van de pockets met chloorhexidine, voor een sneller herstel van de parodontale gezondheid en vermindering van het aantal destructieve micro-organismen te zorgen.

 
     

Kaakchirurg loopt weinig kans op burn-out

   
Gedragswetenschappen

Er is een relatie tussen het vóórkomen van burn-out bij tandartsen en het al dan niet uitkomen van beroepsverwachtingen. De uitkomst van dit onderzoek onder kaakchirurgen laat zien dat zij zeer betrokken zijn bij hun werk en weinig kans lopen op een burn-out.

Abstract
Little is known about the well-being of oral and maxillofacial surgeons. The aim of this study was to measure the levels of burnout risk and the demanding work aspects of Dutch oral and maxillofacial surgeons, as well as the levels of positive work engagement and stimulating aspects of the work environment.
The Maslach Burnout Inventory, Dutch version (UBOS), and inventories on positive engagement, work demands, and stimulating aspects of work, were sent to all 179 Dutch oral and maxillofacial surgeons currently in clinical practices. With a 70% response, UBOS mean scores on Emotional Exhaustion and Depersonalization appeared lower, and on Personal Accomplishment appeared higher, when compared with relevant reference scores. Engagement scores appeared to be relatively high. Mean scores on the work demands subscales were all well below the scale midpoint, whereas work resources were all well above.
Dutch oral and maxillofacial surgeons showed relatively favourable burnout and engagement levels. The aspects of the work environment that best explain differences in burnout are ‘Practice demands and organization’ and ‘Lack of variation and perspective in work’. Differences in engagement are best explained by ‘Variety in work’ and ‘Positive effect upon patients’. It is remarkable that all work demands show relatively low levels and all stimulating work aspects show relatively high levels.

Bron
Gorter RC, Jacobs BLTH, Allard RHB. Low burnout risk and high engagement levels among oral and maxillofacial surgeons. Eur J Oral Sci 2012; 120: 69-74. doi: 10.1111/j.1600-0722.2011.00923.x

Gorter RC, Jacobs BLTH, Allard RHB. Burn-out en bevlogenheid bij kaakchirurgen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2010; 117: 41-46. doi: 10.5177/ntvt2010.01.08150

Reactie
Het is een mooie bevinding dat Nederlandse kaakchirurgen zo bevlogen zijn in hun werk en nauwelijks kans lopen op een burn-out. Publicatie van dit oorspronkelijk Nederlands artikel in een internationaal tijdschrift roept wel de vraag op of het onderwerp ook op internationale belangstelling kan rekenen.

 
     

Tandartsen kiezen voor zwaardere kwaliteitsnormen

   
Competentiegerichte scholing

Het experiment vrije prijsvorming in de mondzorg heeft vooralsnog gezorgd voor een dynamisch effect bij overheid, zorgverzekeraars, zorgprofessionals en patiënten(organisaties). Eén ding is al wel helemaal duidelijk: het Kwaliteitsregister Tandartsen (KRT) floreert vanwege de roep om het zichtbaar maken van kwaliteit in de mondzorg. Steeds meer tandartsen laten zich inschrijven bij dit kwaliteitsregister, waarvan de inhoud voortdurend wordt aangepast aan de ontwikkelingen in de mondzorg.

De beroepsgroep kiest vrijwillig voor verzwaring, verbreding en verdieping van de normen. Vanaf juli 2012 zal elke KRT-geregistreerde tandarts in 5 jaar 180 KRT-punten uit competentiegerichte deskundigheidsbevordering behalen, een patiëntenenquête uitzetten en aan een vorm van digitale ‘visitatie’ deelnemen. Daarmee laten tandartsen overduidelijk zien dat zij hun verantwoordelijkheid nemen voor transparantie in kwaliteit en prestatie. Het vergde meer dan 20 jaar discussie en overleg voordat er een eerste beginsel lag van een vrijwillig Kwaliteitsregister voor Tandartsen. Dat was in 2007. Medio dit jaar komt de eerste lichting tandartsen in aanmerking voor herregistratie. Opnieuw blijkt hoezeer het KRT een groeispurt doormaakt. Zowel in volume als inhoud. Nelleke Menzel de Groot – tandarts algemeen practicus en KRT-bestuurslid – licht de ontwikkelingen toe. “Het KRT is een groeimodel. We zijn begonnen met een set van 5 normen. Natuurlijk overheerste destijds het besef dat sommige normen te strikt of juist te open waren. Maar er was tenminste een uitgangspunt. Gaande de rit werd duidelijk welke normen toereikend waren en welke dienden te worden aangescherpt, versoepeld of geschrapt. Dat er veel behoefte was aan normwijziging bleek ook uit het onderzoek in 2010 onder (wel en niet bij het KRT-aangesloten) tandartsen. Het mooie is dat we na 5 jaar ervaring en inzicht in de markt de normen kunnen aanpassen aan de behoeften van de tandarts en de samenleving van nu. Juist omdat de wijzigingen aansluiten op de actualiteit, heeft het KRT nu veel meer draagvlak dan in 2007. Kwaliteitsregistratie is steeds meer een vanzelfsprekende maatschappelijke verantwoording. De KRT-normen 2012-2017 stimuleren de tandarts van nu om zich in te zetten voor brede, competentiegerichte scholing en om aan kwaliteitstoetsing te doen in de vorm van een patiëntenenquête en digitale ‘visitatie’. Wie durft nu nog te zeggen dat tandartsen niet in kwaliteit investeren?”.

Patiëntgerichtheid
De wijzigingen in de normen gaan over kwaliteitstoetsing (norm 3) en gedifferentieerde deskundigheid (norm 4). De normen 1, 2 en 5 blijven onveranderd. De nieuwe norm 3 over kwaliteitstoetsing vereist dat de tandarts zich als zorgverlener transparant en toetsbaar opstelt door ten minste 1 keer in de 5 jaar een patiëntenenquête te houden en deel te nemen aan een vorm van visitatie. Dat is een serieuze verzwaring. Zowel voor de professie, als ook voor het KRT en de aanbieders die dit faciliteren. Menzel: “Dat klopt. De rol van het KRT is het opstellen van de normen waar de toetsing aan moet voldoen. Zo moet de enquête aan voorwaarden voldoen op het gebied van inhoud, procedure en systematiek. De vragen moeten bijvoorbeeld evenredig verdeeld zijn over de onderwerpen tandheelkundig handelen, communicatie, hygiëne, helderheid in de beroepskolom en etalage-plus informatie.
Het is van groot belang dat tandartsen patiënten serieus nemen en hen anoniem de kans bieden om hun mening te geven. Zij kunnen daar leerdoelen voor zichzelf uit halen. Tandartsen die op basis van een patiëntenenquête een plan van aanpak met verbeterpunten maken, worden extra gehonoreerd. Bovendien kunnen zij dit in een intercollegiaal overleg, een zogenoemde ICO-groep, bespreken met collega’s. Deze groep zorgt voor sociale verbondenheid. Een waardevol fenomeen dat helemaal van deze tijd is. De tijd van ‘ieder voor zich’ is voorbij. ICO kan de opstap naar traditionele visitatie zijn.”

Visitatie als doelmatig kwaliteitsinstrument
In 2011 is een Werkgroep Visitatie van start gegaan om de mogelijkheden van deze vorm van kwaliteitstoetsing te verkennen. Wat zijn de randvoorwaarden, welke vormen zijn effectief en niet te vergeten ook goed uitvoerbaar? Menzel: “Visitatie is een prachtig doelmatig instrument om in samenwerking met collega’s te leren en aan kwaliteitsverbetering te doen. Maar er komt veel bij kijken om dit inhoudelijk en logistiek te faciliteren. De komende maanden zal het KRT samen met collega’s en beroepsorganisaties de kaders verder vaststellen.”

Competentiegerichte scholing voor veelzijdige tandarts
Volgens de huidige norm 4 dient de tandarts in 5 jaar tijd 120 KRT punten aan bij- en nascholing en intercollegiaal overleg in 5 jaar te behalen, waarvan de helft van de punten afkomstig is van geaccrediteerd scholingsaanbod. De nieuwe norm 4 bepaalt dat tandartsen in 5 jaar tijd minimaal 180 KRT-punten moeten halen door het volgen van bij- en nascholing, individuele activiteiten en intercollegiaal overleg. Hierbij geven zij aandacht aan ten minste 4 van de 7 competenties.
Het blijkt dat de term ‘bij- en nascholing’ de lading in de praktijk niet dekt. Menzel: “Het is van belang om inzichtelijk te maken wat tandartsen allemaal doen. Dat reikt veel verder dan vakinhoudelijke cursussen over implantologie of endodontologie. Denk ook aan bestuurlijk en maatschappelijk werk, professioneel communiceren, management en ondernemerschap. Er worden hoge eisen gesteld aan de tandarts van nu, die vaak meerdere hoedanigheden vertolkt. Juist vanwege die veelzijdigheid is brede deskundigheidsbevordering essentieel. Met de invoering van het CanMeds-model stimuleren we tandartsen om zich in de breedte en in de diepte te scholen. Het CanMeds model kent 7 competentiegebieden of rollen. Van vakinhoudelijk handelen tot en met organisatie en professionaliteit. Tandartsen kunnen straks kiezen welke 4 competenties zij minimaal in hun deskundigheidsbevordering aandacht willen geven. Vier competenties garanderen voldoende spreiding of differentiatie (meer dan de helft), terwijl 7 verplichte competentiegebieden geen keuzeruimte laten aan de tandarts. Alle varianten van scholing, individuele activiteiten en intercollegiaal overleg kunnen worden ondergebracht in de CanMeds rollen in PE-online. Dit geldt ook voor de digitale kennistoetsen uit de vakliteratuur.”

Geen accreditatieverplichting meer
De verplichting tot het volgen van 50% geaccrediteerde bij- en nascholing en ICO is in de nieuwe norm vervallen. Alleen de KRT-erkenning is nu nog verplicht. Dit wil zeggen dat uitsluitend scholing die door het KRT is erkend, meetelt voor de (her)registratie. Als scholing ook nog is geaccrediteerd door een accreditatieorgaan, kan de tandarts hier extra punten voor krijgen.”

Life time learning
Met de verhoging van het aantal KRT-punten van 120 naar 180 in 5 jaar houdt het KRT het midden tussen het aantal van de medisch specialisten (200) en van de mondhygiënisten (160). Menzel: “Dit is goed haalbaar. Meer mag natuurlijk altijd. Minder zal zonder legitieme reden niet acceptabel zijn voor een KRT-herregistratie. Tandartsen zijn er vrij in hoe ze hun punten over de registratieperiode willen verdelen, maar wij zien liever dat er ieder registratiejaar iets aan deskundigheidsbevordering wordt gedaan, dan dat alles in 1 jaar is geconcentreerd. Het KRT stimuleert ‘life time learning’.”

Transparantie in het veld
Het is duidelijk dat transparantie anno 2012 niet meer vrijblijvend is voor de professional in de mondzorg. Menzel: “De overheid eist het, maar ook patiënten en collega’s hebben hier recht op. Jouw verantwoordelijkheid en verantwoording als tandarts telt niet alleen richting de patiënt, maar ook onderling. Transparantie in het veld is van groot belang om kwaliteit te borgen. Naar wie verwijs je? Is inzichtelijk wat hij of zij aan kwaliteitsbevordering doet? Het KRT is dus niet alleen toegankelijk voor patiënten en de overheid, maar zeker ook voor tandartsen. Een openbaar register met professionals die zich hard maken voor optimale mondzorg, vandaag en morgen.”

Annemarie Roozeboom, Kwaliteitsregister Tandartsen

 
     

De vooruitzichten op een vaccin tegen cariës

   
Immunologie

Een vaccin tegen cariës richt zich op de oorzakelijke factor van deze aandoening: de kolonisatie van de bacterie Streptococcus mutans op een gebitselement. Shi et al hebben een DNA-anticariësvaccin ontwikkeld dat hecht aan het recombinant eiwit flagelline en intranasaal kan worden toegediend. Toepassing van dit vaccin laat een hoge systemische en mucosale afweerreactie zien met een bescherming tegen cariës.

Abstract
We and others have shown that anti-caries DNA vaccines, including pGJA-P/VAX, are promising for preventing dental caries. However, challenges remain because of the low immunogenicity of DNA vaccines. In this study, we used recombinant flagellin protein derived from Salmonella (FliC) as a mucosal adjuvant for anti-caries DNA vaccine (pGJA-P/VAX) and analyzed the effects of FliC protein on the serum PAc-specific IgG and saliva PAc-specific IgA antibody responses, the colonization of Streptococcus mutans on rat teeth, and the formation of caries lesions.
Our results showed that FliC promoted the production of PAc-specific IgG in serum and secretory IgA (S-IgA) in saliva of rats by intranasal immunization with pGJA-P/VAX plus FliC. Furthermore, we found that enhanced PAc-specific IgA responses in saliva were associated with the inhibition Streptococcus mutans colonization of tooth surfaces and endowed better protection with significant fewer caries lesions.
In conclusion, our study demonstrates that recombinant FliC could enhance specific IgA responses in saliva and protective ability of pGJA-P/VAX, providing an effective mucosal adjuvant candidate for intranasal immunization of an anti-caries DNA vaccine.

Bron
Shi W et al. Flagellin enhances saliva IgA response and protection of anti-caries DNA vaccine. J Dent Res 2012; 91: 249-254. doi: 10.1177/0022034511424283

Klinische relevantie
Wetenschappers zijn al jaren bezig een DNA-vaccin tegen cariës te ontwikkelen, maar stuiten daarbij steeds op het probleem om een adjuvans te vinden die het DNA-vaccin gemakkelijk aan de mucosa kan binden. De voorlopige uitkomst van het onderzoek van Shi et al is dat het eiwit flagelline als mucosale adjuvans kan dienen bij een DNA-vaccin.

 
     

Giftige waarheid over suiker

   
Voeding, gezondheid en actualiteit

Nature publiceerde in februari j.l. het artikel ‘The toxic truth about sugar’, een alarmerende bijdrage over suiker. De auteurs van het artikel, Lustig et al, geven aan dat suiker de oorzaak kan zijn van allerlei chronische ziekten en, vergelijkbaar met alcohol, een negatief effect heeft op het lichamelijk functioneren. Op de verkoop van suikerproducten moet belasting worden geheven en bovendien moet de verkoop van suikerhoudende producten tijdens de schooluren worden beperkt. Een leeftijdsgrens moet er ten slotte voor gaan zorgen dat jongeren minder suikerbevattende producten gaan gebruiken.

Abstract
Last September, the United Nations declared that, for the first time in human history, chronic non-communicable diseases such as heart disease, cancer and diabetes pose a greater health burden worldwide than do infectious diseases, contributing to 35 million deaths annually.
This is not just a problem of the developed world. Every country that has adopted the Western diet – one dominated by low-cost, highly processed food – has witnessed rising rates of obesity and related diseases. There are now 30% more people who are obese than who are undernourished. Economic development means that the populations of low- and middle-income countries are living longer, and therefore are more susceptible to non-communicable diseases; 80% of deaths attributable to them occur in these countries.
Many people think that obesity is the root cause of these diseases. But 20% of obese people have normal metabolism and will have a normal lifespan. Conversely, up to 40% of normal-weight people develop the diseases that constitute the metabolic syndrome: diabetes, hypertension, lipid problems, cardiovascular disease and non-alcoholic fatty liver disease. Obesity is not the cause; rather, it is a marker for metabolic dysfunction, which is even more prevalent.
The UN announcement targets tobacco, alcohol and diet as the central risk factors in non-communicable disease. Two of these 3 – tobacco and alcohol – are regulated by governments to protect public health, leaving one of the primary culprits behind this worldwide health crisis unchecked. Of course, regulating food is more complicated – food is required, whereas tobacco and alcohol are non-essential consumables. The key question is: what aspects of the Western diet should be the focus of intervention?
Over the past 50 years, consumption of sugar has tripled worldwide. In the United States, there is fierce controversy over the pervasive use of one particular added sugar – high-fructose corn syrup (HFCS). It is manufactured from corn syrup (glucose), processed to yield a roughly equal mixture of glucose and fructose. Most other developed countries eschew HFCS, relying on naturally occurring sucrose as an added sugar, which also consists of equal parts glucose and fructose.
Authorities consider sugar as 'empty calories' – but there is nothing empty about these calories. A growing body of scientific evidence is showing that fructose can trigger processes that lead to liver toxicity and a host of other chronic diseases. A little is not a problem, but a lot kills slowly.If international bodies are truly concerned about public health, they must consider limiting fructose – and its main delivery vehicles, the added sugars HFCS and sucrose – which pose dangers to individuals and to society as a whole.
Regulating sugar will not be easy – particularly in the 'emerging markets' of developing countries where soft drinks are often cheaper than potable water or milk. We recognize that societal intervention to reduce the supply and demand for sugar faces an uphill political battle against a powerful sugar lobby, and will require active engagement from all stakeholders. Still, the food industry knows that it has a problem – even vigorous lobbying by fast-food companies couldn't defeat the toy ban in San Francisco. With enough clamour for change, tectonic shifts in policy become possible. Take, for instance, bans on smoking in public places and the use of designated drivers, not to mention airbags in cars and condom dispensers in public bathrooms. These simple measures – which have all been on the battleground of American politics – are now taken for granted as essential tools for our public health and well-being. It's time to turn our attention to sugar.

Bron
Lustig RH, Schmidt LA, Brindis CD. The toxic truth about sugar. Nature 2012; 482: 27-29.

Reacties
Een gevarieerde voeding, met volop groente, fruit en volkorenproducten, gecombineerd met een actieve leefstijl vormen de basis voor de preventie van chronische ziekten. Daarbij is het van belang dat de energie-inname via voedsel- en energiegebruik via lichamelijke activiteit met elkaar in balans zijn, zodat overgewicht wordt voorkomen. De Nederlandse Gezondheidsraad adviseert een voeding die ten minste voor 40 energieprocenten uit verteerbare koolhydraten bestaat.

Voor reacties uit het wetenschappelijk veld klik hier:
http://www.suikerinfo.nl/actueel/Nuance-ver-te-zoeken-in-mening-vepakt-als-feit.html?NF140212

 
     

Hechting aan cement zwakste schakel binnen restauratieve tandheelkunde

   
Promotie

Ernstig beschadigde gebitselementen worden vaak gerestaureerd met restauraties die met een composietcement worden verbonden aan het resterende tandweefsel. Deze adhesieve verbinding is vaak de zwakste schakel in de restauratie. Falen van de cementlaag resulteert in microlekkage of in het volledig loskomen van de restauratie.

Leontine Jongsma onderzocht het klinisch slagen en de overleving van indirecte composietrestauraties. Ook keek ze naar de invloed van de manier van polymerisatie, krimp en krimpspanning, en voorbehandeling van restauratiematerialen op de hechting tussen restauratiematerialen, cementen en tandweefsel. Uit haar onderzoek blijkt dat een hoge krimpspanning de adhesieve verbinding tussen dentine en cement zodanig onder spanning zet dat niet alleen de hechtsterkte lager wordt, maar ook het falen van deze verbinding (op termijn) zeer waarschijnlijk is. Haar onderzoek biedt een klinisch toepasbare oplossing om de krimpspanning bij het cementeren van een wortelstift te verminderen.

Leontine A. Jongsma promoveert 2 maart a.s. op het proefschrift ‘Cementation in adhesive dentistry. The weakest link’ aan de Universiteit van Amsterdam. Promotor is prof. dr. A.J. Feilzer.

 

Osseointegratie van implantaten bij mensen met parodontitis

Met dank aan ntvt   27-01-2012  
Parodontologie en Implantologie

Mensen met parodontitis hebben vaker dan gezonde mensen ontstekingen rond implantaten in de kaak. De veronderstelling is dat de osseointegratie van implantaten in het kaakbot bij deze patiënten minder goed verloopt. In een onderzoek kon deze hypothese voor mini-implantaten in de edentate bovenkaak niet worden bevestigd.

Abstract
The aim of the present study was to examine tissue integration of implants placed in subjects who had lost teeth because of advanced periodontal disease or for other reasons, in the posterior maxilla exhibiting varying amounts of mineralized bone.
Material and methods: Thirty-six subjects were enrolled; 19 had lost teeth because of advanced periodontitis (group P) while the remaining 17 subjects had suffered tooth loss from other reasons (group NP). As part of site preparation for implant placement, a 3 mm trephine drill was used to remove one or more 2 mm wide and 5-6 mm long block of hard tissue. Lateral to the biopsy site a twist drill (diameter 2 mm) was used to prepare the hard tissue in the posterior maxilla for the placement of a screw-shaped, self-tapping micro-implant (implant site). The implants used were 5 mm long, had a diameter of 2.2 mm. After 3 months of healing, the micro-implants with surrounding hard tissue cores were retrieved using a trephine drill. The tissue was processed for ground sectioning. The blocks were cut parallel to the long axis of the implant and reduced to a thickness of about 20 lm and stained in toluidine blue. The percentage of implant surface that was in contact with mineralized bone as well as the amount of bone present within the threads of the micro-implants (percentage bone area) was determined.
Results: Healing including hard tissue formation around implants placed in the posterior maxilla was similar in periodontitis susceptible and non-susceptible subjects. Thus, the degree of bone-to-implant contact (about 59%) as well as the amount of mineralized bone within threads of the micro-implant (about 45–50%) was similar in the 2 groups of subjects. Pearson’s coefficient disclosed that there was a weak negative correlation (-0.49; P < 0.05) between volume of fibrous tissue (biopsy sites) and the length of bone to-implant contact while there was a weak positive correlation (0.51; P < 0.05) between the volume of bone marrow and bone-to-implant contact.

Bron
Cecchinato D, Bressan EA, Toia M, Araújo MG, Liljenberg B, Lindhe J. Osseo integration in periodontitis susceptible individuals. Clin Oral Implants Res 2012; 23: 1-4. doi: 10.1111/j.1600-0501.2011.02293.x

Lindhe J, Cecchinato D, Bressan EA, Toia M, Araújo M, Liljenberg B.The alveolar process of the edentulous maxilla in periodontitis and non-periodontitis subjects. Clin Oral Implants Res 2012; 23: 5-11. doi: 10.1111/j.1600-0501.2011.02205.x

Klinische relevantie
De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek was dat genezing en de vorming van botweefsel rond implantaten in de bovenkaak op eenzelfde wijze verloopt bij mensen met en bij mensen zonder parodontitis. De auteurs laten buiten beschouwing of in de onderkaak dezelfde resultaten mogen worden verwacht. De patiëntenpopulatie in dit onderzoek is niet nauwkeurig beschreven, wat nog tot een mogelijke bias in de resultaten kan hebben geleid.

 
     

Bij endodontische herbehandeling zonder microscoop is guttapercha onvoldoende verwijderbaar

   
Endodontologie

Een beperkt deel van de endodontische behandelingen moet om uiteenlopende redenen opnieuw worden uitgevoerd. Voor het welslagen van een herbehandeling moet de guttapercha volledig uit het wortelkanaal worden verwijderd. Uit een in vitro-onderzoek op gebitselementen met een enkelvoudige wortel wordt duidelijk dat alleen met behulp van de microscoop de laatste restanten guttapercha effectief kunnen worden verwijderd.

Abstract
The aim of this study was to test and compare the efficacy of five methods for the removal of root filling material and to test the hypothesis that radiographs fail to represent the real extent of remaining material on canal walls.
Methodology: Fifty maxillary anterior single-rooted teeth with straight root canals were selected. The coronal third of each root canal was prepared with Gates-Glidden drills to number 3, whilst the apical parts were prepared with manual K-files to size 40. Root fillings were performed using lateral compaction with gutta-percha and AH-26. After full setting, the coronal third of the root filling was removed with Gates-Glidden drills and the teeth divided into five groups (n = 10). The remaining root filling material was then removed with either Hedström files and chloroform (25 µL), using size 40 as the last file, SafeSider files, using a NiTi Pleezer reamer with a 0.06 taper followed by size 40 reciprocating file, with or without chloroform, or ProTaper Universal retreatment files (D2, D3) with or without chloroform. Reaching working length with no more gutta-percha on the last file was defined as the endpoint for all procedures. The presence of remaining filling material was first evaluated radiographically and then by the microscopic evaluation of split roots. The time required to accomplish the procedure was also recorded. ANOVA and ANOVA with repeated measures were used for statistical analysis of the results.
Results: Overall, 11-26% of the canal wall remained covered with filling material; no significant difference was found between the groups. The mechanized methods were faster than manual removal of filling material (P < 0.01); the use of solvent did not speed up the mechanized procedures. Radiographic evaluation failed to adequately and reliably detect the extent of filling material remaining on the canal walls, which was later observed by microscopic evaluation.
Conclusions: All methods left root canal filling material on the canal walls. Radiographic evaluation failed to detect the extent of remaining root filling material, which could only be detected using microscopy.

Bron
Kfir A, Tsesis I, Yakirevich E, Matalon S, Abramovitz I. The efficacy of five techniques for removing root filling material: microscopic versus radiographic evaluation. Int Endod J 2012; 45: 35-41. doi: 10.1111/j.1365-2591.2011.01944.x

Klinische relevantie
Dit in vitro-onderzoek is uitgevoerd bij gebitselementen uit de bovenkaak met een enkelvoudige wortel. Een endodontische herbehandeling zonder microscoop bij een gecompliceerde wortelconfiguratie is op basis van dit onderzoek gedoemd te falen.

 
     

Meerdere factoren bepalen de levensduur van posterior composietrestauraties

   
Materiaalkunde en Cariologie

Amalgaam, jarenlang gebruikt in veel tandheelkundige praktijken, is definitief op zijn retour. Composieten hebben bewezen een goed alternatief te zijn. Bij grote restauraties in de (pre)molaarstreek doen posterior composieten niet onder voor amalgaam. Ook voor de lange termijn zijn de resultaten veelbelovend.

Klinisch onderzoek laat zien dat toepassing van composieten met een verschillend percentage anorganische vulstof (55% vs. 70%) in klasse I en II restauraties gedurende de eerste 10 jaar gelijke resultaten laat zien. In de daarop volgende 12 jaar presteren composieten met een hoger vulpercentage wat betreft levensduur echter beter.
Uit een literatuuronderzoek blijkt verder dat patiënt, behandelaar en materiaalkenmerken van composieten in gelijke orde van belang zijn voor een lange levensduur van composietrestauraties.

Abstract 1
Objectives: This retrospective longitudinal study investigated the longevity of posterior restorations placed in a single general practice using 2 different composites in filler characteristics and material properties: P-50 APC (3M ESPE) with 70 vol.% inorganic filler loading (midfilled) and Herculite XR (Kerr) with 55 vol.% filler loading (minifilled).
Methods: Patient records were used for collecting data. Patients with at least 2 posterior composite restorations placed between 1986 and 1990, and still in the practice for regular check-up visits, were selected. 61 patients (20 male, 41 female, age 31.2–65.1) presenting 362 restorations (121 Class I, 241 Class II) placed using a closed sandwich technique were evaluated by 2 operators using the FDI criteria. Data were analyzed with Fisher’s exact test, Kaplan-Meier statistics, and Cox regression analysis (p < 0.05).
Results: 110 failures were detected. Similar survival rates for both composites were observed considering the full period of observation; better performance for the midfilled was detected considering the last 12 years. There was higher probability of failure in molars and for multisurface restorations.
Conclusion: Both evaluated composites showed good clinical performance over 22 years with 1.5% (midfilled) and 2.2% (minifilled) annual failure rate. Superior longevity for the higher filler loaded composite (midfilled) was observed in the second part of the observation period with constant annual failure rate between 10 years and 20 years, whereas the minifilled material showed an increase in annual failure rate between 10 years and 20 years, suggesting that physical properties of the composite may have some impact on restoration longevity.

Abstract 2
Resin composites have become the first choice for direct posterior restorations and are increasingly popular among clinicians and patients. Meanwhile, a number of clinical reports in the literature have discussed the durability of these restorations over long periods. In this review, we have searched the dental literature looking for clinical trials investigating posterior composite restorations over periods of at least 5 years of follow-up published between 1996 and 2011. The search resulted in 34 selected studies. 90% of the clinical studies indicated that annual failure rates between 1% and 3% can be achieved with Class I and II posterior composite restorations depending on several factors such as tooth type and location, operator, and socioeconomic, demographic, and behavioural elements. The material properties showed a minor effect on longevity. The main reasons for failure in the long term are secondary caries, related to the individual caries risk, and fracture, related to the presence of a lining or the strength of the material used as well as patient factors such as bruxism. Repair is a viable alternative to replacement, and it can increase significantly the lifetime of restorations. As observed in the literature reviewed, a long survival rate for posterior composite restorations can be expected provided that patient, operator and materials factors are taken into account when the restorations are performed.

Bron
Da Rosa Rodolpho PA et al. 22-Year clinical evaluation of the performance of two posterior composites with different filler characteristics. Dent Mater 2011; 27: 955-963. doi: 10.1016/j.dental.2011.06.001

Demarcoa FF, Corrêa MB, Cenci MS, Moraes RR, Opdam NJ. Longevity of posterior composite restorations: Not only a matter of materials. Dent Mater 2012; 28: 87-101. doi: 10.1016/j.dental.0211.09.003

Klinische relevantie
Met een jaarlijks faalpercentage van 1-3% blijken composietrestauraties in de (pre)molaarstreek goed te voldoen. Om het succespercentage te verhogen, is doelmatige preventie en behoudend vervangingsbeleid net zo belangrijk als verbetering van de materiaaleigenschappen. Verdere mogelijkheden tot verbetering zijn te vinden in vermindering van de breukgevoeligheid en de mogelijkheid om secundaire cariës te remmen.

 
     

Effectieve pijnstilling na endodontische behandeling

   
Anesthesiologie en Endodontologie

Postoperatieve pijn komt regelmatig voor na aanvang van een endodontische behandeling. De reden is meestal een acute periradiculaire ontsteking als gevolg van stoffen die tijdens de behandeling de periapex bereiken. Een eenmalige toediening van Naproxen of Novafen, aansluitend aan de endodontische behandeling, kan de postoperatieve pijn afdoende verlichten in gevallen van matige tot ernstige pulpitis.

Abstract
Aim of this study was to compare the effects of single doses of 3 oral medications on postoperative pain following instrumentation of root canals in teeth with irreversible pulpitis.
Methodology: In this double-blind clinical trial, 100 patients who had anterior or premolar teeth with irreversible pulpitis without any signs and symptoms of acute or chronic apical periodontitis and moderate to severe pain were divided by balanced block random allocation into four groups of 25 each, a control group receiving a placebo medication, and 3 experimental groups receiving a single dose of either Tramadol (100 mg), Novafen (325 mg of paracetamol, 200 mg ibuprofen and 40 mg caffeine anhydrous) or Naproxen (500 mg) immediately after the first appointment where the pulp was removed, and the canals were fully prepared. The intensity of pain was scored based on 10-point VAS before and after treatment for up to 24 h postoperatively. Data were submitted to repeated analysis of variance.
Results: At the 6, 12 and 24 h postoperative intervals after drug administration, the intensity of pain was significantly lower in the experimental groups than in the placebo group (P < 0.01). Tramadol was significantly less effective (P < 0.05) than Naproxen, and Novafen that were similar to each other (P > 0.05).
Conclusion: A single oral dose of Naproxen, Novafen and Tramadol taken immediately after treatment reduced postoperative pain following pulpectomy and root canal preparation of teeth with irreversible pulpitis.

Bron
Mehrvarzfar P, et al. Effects of three oral analgesics on postoperative pain following root canal preparation: a controlled clinical trial. Int End J 2012; 45: 76-82. doi: 10.1111/j.1365-2591.2011.01950.x

Klinische relevantie
Bij postoperatieve pijn na een endodontische behandeling kan Naproxen (500 mg) effectieve pijnstilling bieden aan de patiënt.

 
     

Wetenschap blijft achter bij ontwikkelingen in kaakchirurgie

   
Oratie

Ter gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar Mondziekten en Kaakchirurgie houdt prof. dr. J. de Lange op 27 januari 2012 om 16.00 uur zijn oratie getiteld ‘MKA-chirurgie in Amsterdam: een uitdagend perspectief’.

Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie (MKA) is sinds een aantal jaren de nieuwe benaming voor het specialisme dat in de volksmond kaakchirurgie wordt genoemd. Deze naamgeving is gekozen omdat ze de werkzaamheden van de MKA-chirurg beter weergeeft.
Het specialisme heeft sinds zijn oprichting in 1956 een enorme klinische ontwikkeling doorgemaakt en is daardoor aanzienlijk uitgebreid. De aangezichtstraumatologie en later de hoofd-hals oncologie behoorden al langere tijd tot de praktijk van de MKA-chirurg en meer recent is daar ook de esthetische aangezichtschirurgie bij gekomen.
Helaas heeft de wetenschappelijke onderbouwing geen gelijke tred gehouden met de ontwikkelingen. Zowel in Nederland als daarbuiten is er een gebrek aan evidencebasedrichtlijnen en in de MKA-literatuur is een te gering aantal kwalitatief goede onderzoeken te vinden. De afdeling MKA van het Academisch Medisch Centrum Amsterdam zal zich de komende jaren inzetten om het vakgebied een betere wetenschappelijke onderbouwing te geven. Daarnaast dienen knelpunten in het opleidingstraject, waarbij zowel de studie Geneeskunde als Tandheelkunde is vereist, te worden opgelost.

Locatie: Aula van de UvA, Singel 411, Amsterdam

Bron
UvA Persvoorlichting

 
     

De bijdrage van patiënten aan onderzoek

   
Promotie

Patiënten worden meer en meer betrokken bij hun eigen behandeling en het beleid van zorginstellingen en onderzoek. Zij willen ook een stem hebben en niet langer langs de zijlijn staan. Karen Schipper heeft onderzocht hoe patiënten een bijdrage kunnen leveren aan onderzoek en wat dit kan opleveren.

Schipper laat zien dat patiënten op diverse niveaus mee kunnen doen aan onderzoek. Patiënten kunnen bijvoorbeeld aan een interview deelnemen of als gelijkwaardig teamlid meedraaien in een onderzoek als onderzoekspartner. De participatie van patiënten in een onderzoeksteam heeft diverse voordelen. Zo krijgen onderzoekers bijvoorbeeld een beter beeld van wat het betekent om een bepaalde ziekte te hebben. Verder voelen patiënten die meedoen aan een interview zich beter begrepen, als er een andere patiënt bij het onderzoeksteam zit die snapt wat er speelt en die beter kan aansluiten bij de behoeftes. Uiteindelijk zorgt de samenwerking met onderzoekspartners voor resultaten die meer recht doen aan de daadwerkelijke behoeften en ideeën van de patiëntengroep. Er ontstaat mede door hun bijdrage gedeeld patiëntenperspectief. Dit perspectief ontstaat ook door open met patiënten in gesprek te gaan.
Critici zijn bang dat er op deze manier alleen subjectieve ervaringen van de meest assertieve patiënten in kaart gebracht worden, dat patiënten overbelast raken of dat kwetsbare groepen worden uitgesloten. Dit proefschrift laat zien hoe dit is te voorkomen. Door de juiste manieren te gebruiken kan een gedeeld, objectief uniek patiëntenperspectief ontstaan als aanvulling van het professionalsperspectief.

Bron
Vrije Universiteit Persvoorlichting

Voor meer informatie zie: http://dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/32661/12/abstract_dutch.pdf

Karen Schipper promoveerde 18 januari 2012 op het proefschrift ‘Patient participation & knowledge’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Promotores waren prof. dr. T.A. Abma en prof dr. G.A.M Widdershoven.

 
     

Dentalcompare, website over nieuwe tandheelkundige technieken en producten

   
Webbespreking

Dentalcompare is een website die de tandheelkundige professional op de hoogte houdt van nieuwe technieken en producten. Op de site worden de producten ook vergeleken en aanbevelingen voor gebruik gedaan. Ook zijn er artikelen te vinden over de achtergronden van nieuwe technieken en de te volgen procedures bij behandelingen in de dagelijkse praktijk.

De homepage van de website www.dentalcompare.com bevat erg veel informatie en wie op zoek is naar een specifiek product, kan het best meteen het zoekvenster gebruiken. Voor het gewone exploreren van de site staan de gebruiker verschillende menu's ter beschikking zo kan men via de menubalk zoeken naar nieuwe producten (Products), artikelen (Articles) en instructiefilms (Videos). Deze menubalk geeft ook toegang tot een nieuwsrubriek, een blogpagina en onderwerpen die extra aandacht vragen.
In het linkermenu staat een productenoverzicht met een onderverdeling in apparatuur, diagnostische software, tandheelkundige materialen en gebruiksartikelen.
In het hoofdvenster wordt alles nog eens toegankelijk gemaakt via een vrij willekeurige verdeling in tandheelkundige onderwerpen.
Deze site bevat echter zoveel informatie dat men soms door de bomen het bos niet meer ziet, maar wie de tijd heeft en op zoek is naar nieuwtjes wordt er ruimschoots bediend.
Regelmatige gebruikers van deze site kunnen zich registreren en vooraf interessegebieden aangeven.

 

Positief effect van fluoridenapplicatie bij jeugdigen niet gevonden

22-12-2012    
Preventie

Het College van Zorgverzekeraars wil vergoeding voor applicatie van fluoridenvernis bij kinderen jonger dan 6 jaar, met als argument dat de huidige verzekeringsregels niet meer voldoen aan de ‘State of the art’. Een gerandomiseerd onderzoek kon echter geen positief effect vinden van de toepassing van 9 fluoridenapplicaties in een tijdsbestek van 3 jaar op de prevalentie van cariës in de eerste blijvende molaar bij 9-jarigen.

Abstract
We conducted a school-based parallel cluster randomized controlled trial with 36-month follow-up of children aged 7 to 8 years. Primary schools were randomly assigned to 2 groups: 3 applications of fluoride varnish (22,600 ppm) each year or no intervention. The primary outcome was DFS increment in the first permanent molars, with the hypothesis that 9 applications of varnish over 3 years would result in a lower increment in the test group. Follow-up measurements were recorded by examiners blind to the allocation. Ninety-five schools were randomized to the test and 95 to the reference groups; 1473 (test) and 1494 (reference) children participated in the trial. An intention-to treat analysis was carried out with random effects models. The DFS increment was 0.65 (SD 2.15) in the test and 0.67 (SD 2.10) in the reference groups, respectively. There was no statistically significant difference between the groups.
Conclusion: We were unable to demonstrate an effect for fluoride varnish when it was used as a public health intervention to prevent caries in the first permanent molar teeth (International Standard Randomized Controlled Trial Registration: ISRCTN: #72589426).

Bron
Milsom KM et al. A cluster-randomized controlled trial: fluoride varnish in school children
J Dent Res 2011, 90: 1306-1311. doi: 10.1177/0022034511422063.

Klik hier voor meer informatie: www.cvz.nl/publicaties/rapporten

Klinische relevantie
Het standaard toepassen van applicatie van fluoridenvernis bij jeugdigen is al eerder wetenschappelijk in twijfel getrokken. Dit onderzoek toont aan dat de applicatie van fluoridenvernis als voorziening in de gezondheidszorg geen aantoonbaar effect heeft gehad. Dagelijks klassikaal spoelen met een fluoridenoplossing is wel effectief in de preventie van cariës.

 
     

Onderprothese op 2 verbonden implantaten is direct belastbaar

   
Implantologie

Een overkappingsprothese op 2 implantaten voorzien van drukknoppen wordt gezien als een betrouwbare toepassing bij personen met een edentate onderkaak. In klinisch onderzoek werd de stabiliteit en de directe belasting van 2 ‘bar-splinted’ implantaten in combinatie met een nieuwe gebitsprothese onderzocht. De eerste resultaten bleken veelbelovend. De overleving van de implantaten over een periode van 12-40 maanden was 98,8%.

Abstract
The aim of this study was to present the clinical outcomes of the immediate loading of 2 bar-splinted implants retaining a mandibular overdenture.
Materials and Methods: In a clinical trial, 124 edentulous patients were treated according to a new treatment concept, which involves the immediate loading of 2 bar-splinted Straumann SLActive implants with an implant-retained mandibular overdenture. The new conventional mandibular denture is used as a template for implant positioning and as an impression tray, and for mounting the retention clip by the dental laboratory. At the same day the implants are placed, the conventional denture is converted into an implant-retained overdenture. During the healing and evaluation period, resonance frequency analysis (RFA) was undertaken to assess the effect of loading on implant stability and survival.
Results: The survival rate of the implants was 98.8% during the evaluation period (12–40 months). Only 3 of the 248 implants were lost. During the healing (osseointegration) phase, the implant-stability quotient increased significantly (p = .0001). During the evaluation period, 4 patients (3%) needed a relining of their mandibular overdenture, whereas 13 patients (11%) needed relining of the maxillary denture.
Conclusions: Two interconnected implants can be successfully loaded by a mandibular overdenture at the same day of implant placement with a high survival rate of the implants. Only a few patients needed additional relining of the overdenture. Repeated RFA measurements can be useful in gauging implant stability and survival.

Bron
Stoker GT, Wismeijer D. Immediate loading of two implants with a mandibular implant-retained overdenture: a new treatment protocol. Clin Implant Dent Relat Res 2011; 13: 255-261. doi: 10.1111/j.1708-8208.2009.00210.x.

Klinische relevantie
In de regel wordt de oude (slecht zittende) gebitsprothese gedragen totdat de implantaten zijn ingeheeld. De patiënt heeft dan nog geen voordeel van de implantaten. Bij de gepresenteerde behandelwijze is er direct voordeel voor de patiënt en zal het wennen aan de nieuwe gebitsprothese naar alle waarschijnlijkheid gemakkelijker verlopen.

 
     

Proximale cariës is het best zichtbaar op fosforplaatjes met lage Kv-belichting

   
Radiologie, Kindertandheelkunde

Detectie van proximale cariës in de tijdelijke dentitie is lastig door de specifieke morfologie. De progressie van cariës verloopt hier sneller dan in de blijvende dentitie. Het tijdig maken van röntgenopnamen is dan ook geboden. In een in vitro-onderzoek bleek de röntgenopname gemaakt met een fosforplaatje en een lage Kv-belichting (50) de proximale cariës het best in beeld te brengen.

Abstract
The aim of this study was to assess the detection of proximal caries in primary teeth at 3 different tube potentials using Ektaspeed films, storage phosphor plates (SPPs), and a charge-coupled device (CCD). Fifty-three extracted human primary molars with natural proximal caries were radiographed with 3 different imaging modalities: Digora Optime SPP system, RVGui CCD system, and Ektaspeed films at 50-, 65-, and 70-kV tube potentials. Three observers scored the resultant images for the presence or absence of caries. The definitive diagnosis was determined by stereomicroscopic assessment. The diagnostic accuracy for each imaging modality was expressed as the area under the receiver operating characteristic curves (Az). Differences among the Az values were assessed using two-way ANOVA and t tests. Kappa was used to measure inter- and intra-observer agreement. Higher accuracy was found for SPPs compared to film and CCD images at all tube potentials. Accuracy was significantly different only at 50-kV tube setting in favor of SPPs (p<0.05). Inter- and intra-observer agreement was high for all systems. A SPP system can be recommended for dental paedodontic clinics particularly with 50-kV tube potential for the diagnosis of proximal caries since further advantages include the elimination of chemical processing, image enhancement, and a better low contrast detectability performance.

Bron
Sogur E, et al. Effect of tube potential and image receptor on the detection of natural proximal caries in primary teeth. Clin Oral Investig 2011; 15: 901-907. doi. 10.1007/s00784-010-0461-3.

Klinische relevantie
Voor het maken van röntgenopnamen bij jonge kinderen zijn fosforplaatjes gemakkelijker te plaatsen dan CCD-sensoren. De combinatie van de fosforplaatjes, de lage belichtingstijd (0,12 sec) en de lage buisspanning (50Kv) maken de detectie van cariës aanzienlijk eenvoudiger.

 
     

Zenuw in retromolaarkanaal kan falende mandibulaire blokanesthesie veroorzaken

   
Anesthesiologie

In een in vivo-onderzoek werd bij 25% van een groep onderzochte personen een retromolaarkanaal in de onderkaak aangetroffen. De zenuw die door dit kanaal loopt is naar alle waarschijnlijkheid een tak van de nervus alveolaris inferior. De onderzoekers vonden een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van het retromolaarkanaal en de kans op ontoereikende mandibulaire blokanesthesie.

Abstract
The retromolar canal is an anatomic structure of the mandible with clinical importance. This canal branches off from the mandibular canal behind the third molar and travels to the retromolar foramen in the retromolar fossa. The retromolar canal might conduct accessory innervation to the mandibular molars or contain an aberrant buccal nerve.
Methods: Patients referred for panoramic radiography were consecutively enrolled, provided a limited cone-beam computed tomography (CBCT) scan had also been taken in the area of interest. Radiographs were retrospectively screened for the presence of a retromolar canal, and linear measurements (distance to second molar, height, width) were taken.
Results: One hundred twenty-one sides in 100 patients were evaluated (100 unilateral and 21 bilateral cases). A total of 31 retromolar canals were identified with CBCT (25.6%). Only 7 of these canals were also seen on the corresponding panoramic radiographs. The existence of a retromolar canal was not statistically related to gender or side. With regard to the linear measurements, the mean distance from the retromolar canal to the second molar was 15,16 mm (±2.39 mm), the mean height of the canal was 11.34 mm (±2.36 mm), and the mean width was 0.99 mm (±0.31 mm).
Conclusions: This radiographic study documents a frequency of 25% for the presence of a retromolar canal. The clinician is advised to preserve this anatomic variation when performing surgery in the retromolar area and to consider additional locoregional anesthesia in the case of failed mandibular block anesthesia.

Bron
Arx von T, et al. Radiographic study of the mandibular retromolar canal: an anatomic structure with clinical importance. J Endod 2011; 37: 1630-1635. doi:10.1016/j.joen.2011.09.007.

Klinische relevantie
Bij een ontoereikende mandibulaire blokanesthesie kan alsnog voldoende verdoving worden bereikt door infiltratieanesthesie te geven ter hoogte van de accessoire zenuw.
Kennis over de aanwezigheid van een retromolaarkanaal kan eveneens van belang zijn bij chirurgische extractie van derde molaren in de onderkaak. Paresthesie of paralyse kunnen zich als symptomen presenteren.

 
     

Atrofische onderkaak vergroot de kans op breuk bij plaatsing van implantaten

   
Mondziekten en Kaakchirurgie, Implantologie

Een atrofische onderkaak, met een hoogte van 10 mm of minder (gemeten bij de symphysus), is de uitdaging bij uitstek voor iedere tandarts/tandprotheticus. Het verkrijgen van retentie voor de onderprothese is hier uiterst beperkt. Implantaten verbeteren de retentie van een gebitsprothese in een atrofische onderkaak, maar vergroten de kans op een fractuur van de mandibula met aanverwante complicaties.

Abstract
The present study provides an inventory of the number of fractures that occurred in conjunction with implant placement in edentulous patients in the Dutch population from 1980 to 2007 and estimates the incidence with which this might occur. The study also sought to define the factors that increase the risk of fracture.
Materials and Methods: Questionnaires were sent to all 198 oral and maxillofacial surgeons working in 56 hospitals in the Netherlands. Questions were asked regarding the causes of fractures, the height of the edentulous mandible, and the methods of fracture treatment.
Results: Responses were received from 53 of the 56 departments. During the study period, 157 edentulous mandibles fractured in conjunction with implant treatment. All fractures occurred in mandibles with less than 10 mm of height, as measured in the symphysis. An incidence of less than 0.05% was estimated based on an estimated number of 475,000 patients treated with at least 2 implants during this time to support an overdenture. Reasons for early implant failures were insufficient bone volume, iatrogenic causes, non-integration, and a narrow arch. Peri-implantitis, trauma, and explantation were associated with fractures occurring 1 year or more after implant placement. Several methods were employed to treat the fractured mandibles, including closed reduction, rigid fixation using osteosynthesis plates, and bone grafts with fixation. In 52% of patients, fracture healing was uneventful; however, in 48% of patients, complications were encountered, including osteomyelitis, nonunion, plate fracture, screw loosening, and dehiscences with subsequent infections.
Conclusions: Mandibles with a height of 10 mm or less, as measured at the symphysis, are at risk of fractures and associated complications. The provision of proper informed consent regarding the advantages and disadvantages of placing implants in thin mandibles is essential.

Bron
Soehardi A, Meijer GJ, Manders R, Stoelinga PJ. An inventory of mandibular fractures associated with implants in atrophic edentulous mandibles: a survey of Dutch oral and maxillofacial surgeons. Int J Oral Maxillofac Implants 2011; 26: 1087-1093.

Klinische relevantie
Om retentie te krijgen voor een gebitsprothese in een atrofische onderkaak zijn er goede redenen om aan de plaatsing van implantaten te denken. De uitkomsten van dit onderzoek maken het overwegen van andere behandelopties de moeite waard.

 
     

Metabolemische effecten van xylitol en fluoride op tandplaque of bioflim

   
Cariologie

Cariës ontstaat door een zuurproductie in de tandplaque of de biofilm. Van fluoride en xylitol is bekend dat ze in vitro de bacteriële zuurproductie remmen. In een onderzoek is nagegaan of in vivo een soortgelijke remming plaatsvindt in de supragingivale plaque. Met behulp van een metabolemische analyse kon worden vastgesteld dat het remmend effect van fluoride consistent is met de bevindingen van het in vitro-onderzoek. Xylitol blijkt in vivo geen remmend effect te hebben op de zuurproductie.

Abstract
Dental caries is initiated by demineralization of the tooth surface through acid production from sugar by plaque biofilm. Fluoride and xylitol have been used worldwide as caries-preventive reagents, based on in vitro proven inhibitory mechanisms on bacterial acid production. We attempted to confirm the inhibitory mechanisms of fluoride and xylitol in vivo by performing metabolome analysis on the central carbon metabolism in supragingival plaque using the combination of capillary electrophoresis and a time-of-flight mass spectrometer.
Fluoride (225 and 900 ppm F-) inhibited lactate production from 10% glucose by 34% and 46%, respectively, along with the increase in 3-phosphoglycerate and the decrease in phosphoenolpyruvate in the EMP pathway in supragingival plaque. These results confirmed that fluoride inhibited bacterial enolase in the EMP pathway and subsequently repressed acid production in vivo. In contrast, 10% xylitol had no effect on acid production and the metabolome profile in supragingival plaque, although xylitol 5-phosphate was produced. These results suggest that xylitol is not an inhibitor of plaque acid production but rather a non-fermentative sugar alcohol. Metabolome analyses of plaque biofilm can be applied for monitoring the efficacy of dietary components and medicines for plaque biofilm, leading to the development of effective plaque control.

Bron
Takahashi N, Washio J. Metabolomic effects of xylitol and fluoride on plaque biofilm in vivo. J Dent Res 2011; 90: 1463-1468. doi: 10.1177/0022034511423395.

Klinische relevantie
Suikervrije, xylitol bevattende kauwgom, heeft de naam gebitsvriendelijk te zijn. Op basis van dit in vivo-onderzoek kan echter niet worden aangetoond dat xylitol de zuurproductie remt. De claim ‘gebitsvriendelijk’ voor het xylitolaandeel in kauwgom kan zonder meer vervallen.

 
     

Behandelkeuze bij obstructief slaapapneusyndroom minder complex

   
Gnathologie

Behandeling met een mandibulair repositieapparaat (MRA) is net zo effectief als het toedienen van continue positieve druk in de luchtwegen via de neus met een zogeheten CPAP-apparaat bij personen met milde en matige vormen van slaapapneu. Bovendien wordt een MRA beter geaccepteerd dan een behandeling met CPAP.

Abstract
Long-term trials are needed to capture information regarding the persistence of efficacy and loss to follow-up of both mandibular advancement device (MAD) therapy and continuous positive airway pressure (CPAP) therapy.
Objectives: The aim of the study was to compare these treatment aspects between MAD and nasal CPAP (nCPAP) in a 1-year follow-up.
Methods: Forty-three mild/moderate obstructive sleep apnea patients (52.2 ± 9.6 years) with a mean apnea-hypopnea index (AHI) of 20.8 ± 9.9 events/h were randomly assigned to two parallel groups: MAD (n = 21) and nCPAP (n = 22). Four polysomnographic recordings were obtained: 1 before treatment, 1 for the short-term evaluation, and 2 recordings 6 and 12 months after the short-term evaluation. Excessive daytime sleepiness (EDS) was also evaluated at the polysomnographic recordings.
Results: The initially achieved improvements in the AHI remained stable over time within both groups (p = 0.650). In the nCPAP group, the AHI improved 4.1 events/h more than in the MAD group (p = 0.000). The EDS values showed a gradual improvement over time (p = 0.000), and these improvements were similar for both groups (p = 0.367). In the nCPAP group, more patients withdrew from treatment due to side effects than in the MAD group.
Conclusions: The absence of significant long-term differences in EDS improvements between the MAD and the nCPAP groups with mild/moderate obstructive sleep apnea may indicate that the larger improvements in AHI values in the nCPAP group are not clinically relevant. Moreover, nCPAP patients may show more problems in accepting their treatment modality than MAD patients.

Bron
Aarab G, Lobbezoo F, Heymans MW, Hamburger HL, Naeije M. Long-term follow-up of a randomized controlled trial of oral appliance therapy in obstructive sleep apnea. Respiration 2011; 82: 162-168. doi: 10.1159/000324580.

Aarab G. Mandibular advancement device therapy in obstructive sleep apnea. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 2011. Academisch proefschrift.

Klinische relevantie
Dikke mensen hebben vaker slaapapneu en de kans op slaapapneu neemt toe naarmate men ouder wordt. Mensen met slaapapneu slapen bovendien slecht, met alle gevaren van dien. Nu blijkt dat een mandibulair repositieapparaat een beter behandeleffect heeft dan een CPAP-apparaat is de behandelkeuze bij een van obstructief slaapapneusyndroom minder complex.

 
     

Relatie obstructief slaapapneusyndroom en temporomandibulaire disfunctie

   
Gnathologie

Het obstructief slaapapneusyndroom kan worden behandeld met een mandibulair repositieapparaat of met een CPAP-apparaat. Een onderzoek naar de langetermijneffecten van beide methoden op het temporomandibulaire complex (kaakgewricht, kauwspieren en aanverwante structuren) laat zien dat een MRA hier meer pijn, maar geen pijn-geïndiceerde beperkingen veroorzaakt.

Abstract
The objective of this study was to assess variations in the occurrence of temporomandibular disorders (TMDs) and the risk of developing pain and function impairment of the temporomandibular complex in obstructive sleep apnea syndrome (OSAS) patients treated with either an oral appliance (mandibular advancement device) or continuous positive airway pressure (CPAP) in a 2-year follow-up study. In addition, we assessed the relationship between the mean mandibular protrusion and the frequency of wearing the appliance during follow-up with the occurrence of pain and function impairment of the temporomandibular complex. Fifty-one patients were randomized to oral appliance therapy and 52 patients to CPAP therapy. TMDs (diagnosed according to the Axis I Research Diagnostic Criteria for TMD), pain intensity and disability and mandibular function impairment were recorded at baseline, after 2 months, 1 year and 2 years of therapy. Only in the initial period of treatment the occurrence of pain-related TMDs was considerably higher (24%) in the oral appliance group compared to CPAP (6%). Oral appliance therapy furthermore resulted in more temporomandibular pain compared to CPAP (odds ratio 2.33, 95% confidence interval (1.22-4.43)). However, there were no limitations in mandibular function in both groups during the (entire) follow-up period. Although generally not serious and of transient nature, oral appliance therapy results in more pain-related TMDs in the initial period of use compared with CPAP therapy. Oral appliance therapy is associated with increased pain in the temporomandibular complex in the initial period of use. Because of the transient nature, this pain is not a reason to contra-indicate an oral appliance in OSAS patients. Moreover, TMDs and the risk of developing pain and function impairment of the temporomandibular complex appear limited with long-term oral appliance use.

Bron
Doff MHJ et al. Long-term oral appliance therapy in obstructive sleep apnea syndrome: a controlled study on temporomandibular side effects. Clin Oral Investig 2011, 2011 May 3. doi: 10.1007/s00784-011-0555-6.

Klinische relevantie
Het gebruik van een mandibulair repositieapparaat veroorzaakt geen pijn-geïnduceerde beperkingen van het temporomandibulaire complex en temporomandibulaire disfunctie is geen contra-indicatie voor de toepassing van deze behandelmethode.

 
     

De ‘Hall-techniek’ isoleert cariës efficiënt in tijdelijke molaren

   
Cariologie, Kindertandheelkunde

Tandarts-algemeen practicus Norna Hall begon in de jaren ’80 van de vorige eeuw met het plaatsen van metalen kroontjes op carieuze tijdelijke molaren, zonder dat de gebitselementen eerst werden geprepareerd en zonder het gebruik van lokale verdoving.
Uit een gerandomiseerd klinisch onderzoek blijkt dat een behandeling met de ‘Hall’-kroontjes effectiever is dan een restauratieve behandeling.

Abstract
The Hall Technique (HT) is a method for managing carious primary molars. Decay is sealed under preformed metal crowns without any caries removal, tooth preparation, or local anesthesia. The aim of this study was to compare HT clinical/radiographic failure rates with General Dental Practitioners’ (GDPs) standard (control) restorations. We conducted a split-mouth, randomized control trial (132 children, aged 3-10 yrs, GDPs n = 17) in Scotland. There were 264 study teeth with initial lesions, 42% of which were half-way into dentin (radiographs), and 67% of which had Class II restorations. Teeth were randomized to HT (intervention) or GDPs’ usual treatment (control). Annual clinical/radiographic follow-up data were recorded. 91 patients (69%) had 48 months’ minimum follow-up.
At 60 months ‘major’ failures (irreversible pulpitis, loss of vitality, abscess, or unrestorable tooth) were recorded: HT(3%) and control restorations (16.5%) (p = 0.000488; NNT 8).
At 60 months ‘minor’ failures (reversible pulpitis, restoration loss/wear/fracture; or secondary caries): HT(5%); control restorations(42%) (p < 0.000001; NNT 3).
Overall, there were follow-up data for 130 patients (2-60 months): ‘Major’ failures: HT(2%); control restorations (17%) (p = 0.000004; NNT 7); and ‘minor’ failures, HT(5%); control restorations (46%) (p < 0.000001; NNT 3).
Sealing in caries by the Hall Technique statistically, and clinically, significantly outperformed GDPs’ standard restorations in the long term (Trial registration no. ISRCTN 47267892).

Bron
Innes NPT, Evans DJP, Stirrups DR. Sealing caries in primary molars: randomized control trial, 5-year results. J Dent Res 2011; 90: 1405-1410. doi: 10.1177/0022034511422064.

Klinische relevantie
Niet-restauratieve behandeling van cariës in de tijdelijke dentitie is een doelmatige en kindvriendelijke optie. Toch is soms behandeling van strategische tijdelijke molaren noodzakelijk. In dat geval is de zogeheten ‘Hall-techniek’ een goede behandelmethode.

 
     

Het jaar waarin tandheelkunde en ik elkaar vonden…

   
Column

Het einde van het jaar is in zicht. Ik kan me er niet van weerhouden kort stil te staan bij een jaar waarin de tandheelkunde in mij van een zacht briesje veranderde in een orkaanachtige wervelwind.
Vorig jaar rond deze tijd liep ik helaas een halfjaar studievertraging op door het ontbreken van één kroonomslijping in mijn curriculum. Ik besloot mijn vrije tijd in te vullen met te gaan werken als stoelassistente, orthoassistente en preventieassistente.

Toen ik begon, was ik de onzekerheid zelve. Ik zocht naar de juiste zithouding, zocht naar de namen van het instrumentarium, maakte kennis met de sterilisatieruimte, leerde andere materialen kennen dan ik gewend was, probeerde mijn draai te vinden in een maatschap en noem maar op.
Direct na mijn eerste werkdag wist ik dat een halfjaar studievertraging het beste was wat me ooit was overkomen. Niet alleen bleek dit halfjaar ontzettend leerzaam te zijn, maar het haalde ook de liefde voor de tandheelkunde in mij naar boven. Ik raakte namelijk besmet met het: ‘mijn-hele-wereld-draait-om-tanden-syndroom’, oftewel ik werd een tandheelkundefreak!
Naast mijn werktijden bezocht ik het tandtechnische laboratorium, een parodontoloog, een implantoloog, volgde ik cursussen en ging naar lezingen. Daar waar mannen naar vrouwenvormen kijken, keek ik naar gebitten. Op straat, in de bus, overal om mij heen zag ik tanden. Iedereen die ik zag, kreeg een profiel toegewezen, een hoge of lage lachlijn, recessies, alles wat ik maar op een afstandje kon bekijken, werd in mijn hoofd benoemd. De hele wereld bleek een tandheelkundig walhalla te zijn.
Begin dit jaar ging mijn masteropleiding in een gloednieuw gebouw van start. Ik maakte mijn eerste grote gebitsrestauraties, deed een gebitsprotheseontgroening, fabriceerde mijn eerste endo’s, begon aan mijn eerste stiftopbouw en ontving mijn eerste bedankcadeautjes. Eigenlijk kan ik concluderen dat ik dit jaar ben veranderd van een dummy in een beginneling en dat ik op het puntje van de (ijs)berg sta te wachten totdat ik naar beneden mag skiën.
Toen ik mijn eerste college volgde kon ik niet begrijpen dat de docent zo gepassioneerd kon zijn door zijn werk. In alle eerlijkheid kan ik zeggen dat het op celniveau nog steeds moeilijk voor me is dit te begrijpen, maar voor alle andere hoeken van de tandheelkunde snap ik het volkomen. Na een ontzettend leerzaam jaar kan ik mezelf recht in de ogen kijken en zeggen: “Tandheelkunde is mijn passie! En zo is het en niet anders”.

Lisa Vermeulen, student tandheelkunde ACTA

 
     

Stress, bruxisme en kaakpijn

   
Promotie

Psychosociale problemen als stress kunnen bruxisme veroorzaken, maar dan vooral overdag. Of bruxisme weer aanleiding geeft tot kaakpijn, blijft echter onduidelijk en is afhankelijk van de gebruikte diagnostische methode. Daniele Manfredini vond in zijn promotie-onderzoek een bevestiging van de veronderstelde driehoeksrelatie tussen bruxisme, kaakpijn en psychosociale factoren.

Al sinds Bijbelse tijden worden negatieve gevoelens en pijn in verband gebracht met knarsetanden. Ook in hedendaagse tandartspraktijken wordt knarsetanden, ook wel aangeduid als ‘bruxisme’, vaak gezien als een belangrijke veroorzaker van pijn in de kaken, terwijl psychosociale factoren als stress vaak als mogelijke oorzaak voor het bruxisme worden beschouwd. Tot voor kort was de bewijslast voor deze oorzakelijke verbanden echter nogal fragiel. Het onderzoek van Manfredini heeft bijgedragen aan het verstevigen van de wetenschappelijke basis voor deze klinische wijsheden. Manfredini toonde aan dat bruxisme, kaakpijn en psychosociale factoren een driehoeksrelatie met elkaar hebben, hoewel die relatie nog wel wat wankel is. Psychosociale factoren als stress blijken vooral gerelateerd te zijn aan bruxisme gedurende de dag, terwijl dit voor knarsetanden ’s nachts niet kon worden aangetoond. Alleen de karaktertrek ‘angst’ is nog enigszins gerelateerd aan het knarsetanden gedurende het eerste deel van de nacht.
Een andere belangrijke bevinding uit het onderzoek van Manfredini is dat de psychosociale hinder die patiënten met kaakpijn ervaren in hun dagelijkse leven eerder bepaalt of iemand behandeling zoekt dan de lichamelijke pijn.
Tot slot toonde Manfredini aan dat de manier waarop bruxisme wordt gediagnosticeerd bepaalt of er een verband wordt gelegd met kaakpijn. Hoe nauwkeuriger bruxisme wordt gemeten (bijvoorbeeld door gebruik te maken van slaapregistratie in een ziekenhuis), hoe kleiner de kans dat het knarsetanden met kaakpijn in verband wordt gebracht. Bij gebruik van vragenlijsten blijkt dat dit verband wel wordt gelegd.

Bron
Manfredini D. The triangle bruxism, pain and psychosocial factors. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 2011. Academisch proefschrift.

 
     

Rapportage van bijwerkingen van medicijnen

   
Promotie

Zorgverleners kunnen bijwerkingen van medicijnen rapporteren aan het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Sinds april 2003 kunnen patiënten daar ook zelf bijwerkingen melden. In haar proefschrift stelt Florence van Hunsel dat de bijdragen van patiënten een nuttig inzicht geven in het effect van bijwerkingen. De terugkoppeling door patiënten draagt bij aan de opsporing van nog onbekende bijwerkingen.

Het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb registreert en analyseert alle meldingen van bijwerkingen van medicijnen door medici en apothekers. Op deze manier wil het centrum onbekende bijwerkingen opsporen. Sinds 2003 kunnen patiënten ook zelf de bijwerkingen van hun medicijnen via internet doorgeven aan Lareb.
In haar promotieonderzoek heeft Florence van Hunsel onderzocht of de meldingen van patiënten een inhoudelijke toevoeging zijn geweest aan het meldsysteem. Hiervoor is het vrijwillige meldsysteem grondig door haar geëvalueerd. Ze vergeleek de bijwerkingen die hulpverleners registreerden met de bijwerkingen die patiënten meldden en ontdekte dat de meldingen van patiënten vaak overeenkomen met de meldingen van zorgverleners en dat ze soms een nuttige aanvulling zijn.
In een interview elders licht Van Hunsel haar bevindingen toe: “Zorgverleners melden bijwerkingen met een klinische blik en zij kunnen eventueel de resultaten van laboratoriumtests meesturen naar Lareb. De meldingen van patiënten vullen die informatie soms aan met kennis over de manier waarop de bijwerkingen hun dagelijks leven beïnvloeden. Dankzij deze meldingen kunnen ook nieuwe bijwerkingen worden opgespoord en kan de veiligheid van medicijngebruik worden verbeterd.
Het aandeel meldingen door patiënten is sinds 2003 toegenomen van 4% tot bijna 16% in 2010. De meeste patiënten willen met hun melding voorkomen dat anderen last krijgen van dezelfde bijwerkingen en leveren zo een belangrijke bijdrage aan de veiligheid van medicijnen.
 “Het is echter jammer dat veel patiënten niet weten dat ze zelf bijwerkingen kunnen melden. Lareb is inmiddels een pr-campagne gestart om een breder publiek daarover te informeren”, aldus de promovenda.
Nieuwe Europese regelgeving verplicht de Europese lidstaten binnenkort tot een nationaal registratiecentrum waar ook patiënten bijwerkingen van medicijnen kunnen melden. Het Nederlandse meldsysteem kan daarbij uitstekend als voorbeeld dienen.

Bron
Hunsel F. van. The contribution of direct patient reporting to pharmacovigilance. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2011. Academisch proefschrift.

Voor een overzicht van recente tandheelkundige promoties en oraties klik hier: NTvT nieuwsrubriek

 
     

WIP-richtlijn geldt ook voor verwerking van digitale praktijkgegevens

   
Webbespreking

Volgens de richtlijnen van de Werkgroep Infectie Preventie (WIP) moeten mondzorgverleners veilig werken en met een continue aandacht voor infectiepreventie. Inmiddels zijn veel adviezen, richtlijnen en voorschriften voor hygiëne in de mondzorgpraktijk op papier gezet. Behalve voorschriften voor de persoonlijke hygiëne worden er ook hygiënische eisen gesteld aan materiaal, werkruimte, en zelfs aan administratieve apparatuur.

Volgens de voorschriften moet administratieve apparatuur buiten de behandelzone staan. De computer, inclusief toetsenbord en muis, de telefoon en andere kantoorbenodigdheden (allemaal een grote bron van bacteriën en virussen) moeten kunnen worden gereinigd met een huishoudschoonmaakmiddel.
Voor de medische praktijk bestaan er ook speciale toetsenborden die zijn voorzien van een beschermende folie, waardoor de ruimte tussen de toetsen is afgesloten. Deze toetsenborden zijn gecoat en kunnen rigoureuze reinigings- en desinfectiemethoden doorstaan, waarbij de computer niet hoeft te worden uitgezet. Voor het toetsenbord en de muis kan het beste een vlakke, gladde plastic bedekking worden gebruikt, die gemakkelijk te reinigen, te desinfecteren of te vervangen is.
Meer informatie over een hygiënisch verantwoord toetsenbord is te vinden op: www.medigenic.nl en een instructiefilmpje is te zien op http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=yYQ5ZZIbn_Q
 
     

Congres 'KROON2012'

   
Agenda uitgelicht

Onder de titel 'KROON2012' wordt op vrijdag 3 februari 2012 in het RAI congrescentrum in Amsterdam een thematisch uitgewerkte congresdag over restauraties met kronen georganiseerd. Vijf specialisten hebben een goed doordacht en praktijkgeoriënteerd congresprogramma samengesteld, waarin het vervaardigen van fraaie en duurzame kronen centraal staat. Kronen die qua functie en esthetiek niet onderdoen voor een natuurlijk gebitselement. Maar een kroon kan soms een dure restauratie blijken te zijn...

Behalve de kostprijs voor het maken van een kroon, is er ook nog de ‘biologische prijs’. Soms moet bijvoorbeeld behoorlijk wat tandweefsel worden opgeofferd, of zijn er ernstige gevolgen voor pulpa en parodontium van een slecht gemaakte kroon. Het is daarom zonneklaar dat tandarts en tandtechnicus hun uiterste best moeten doen om voor de patiënt een goede, fraaie én duurzame restauratie te maken. Dat geldt voor een solitaire kroon net zo goed als voor een meer uitgebreide restauratieve behandeling.
Tijdens deze congresdag komen alle aspecten van het vervaardigen van een goede kroon aan de orde. Vier tandartsen en een tandtechnicus laten zien hoe zij valkuilen omzeilen en hoe zij, met kennis van zaken en door gebruik te maken van moderne materialen en instrumenten tot succesvolle resultaten komen.
Voor meer informatie en aanmelding zie: http://www.kroon2012.nl/
 
     

Nieuws of praktijktips sturen naar de Nieuwsbrief

   
Redactioneel

Heeft u interessant wetenschapsnieuws, opmerkingen naar aanleiding van deze Nieuwsbrief of goede praktijktips voor uw collega’s? Stuur deze dan per e-mail [redactie@ntvt.nl] naar de redacteur van de Nieuwsbrief.

 

peri-implantitis

Nieuwe behandelmogelijkheden brengen nieuwe vraagstukken met zich mee. Vanaf de tijd dat er implantaten in de mond werden geplaatst, konden er problemen met of rond die implantaten ontstaan. Zo werd een ziekte geïntroduceerd die voor het implantaattijdperk niet bestond. Die nieuwe ziekte heet peri-implantitis. wilt u meer weten klik dan op de onderstaande link : `` Geschikt voor collega`s"

http://s01.qind.nl/userfiles/241/File/De_nieuwe_ziekte(2).pdf

http://s01.qind.nl/userfiles/241/File/consensus_over_pi_infecties(1).pdf

Over ons HKZ Keurmerk

Het HKZ Keurmerk staat voor Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector; een keurmerk dat een basisgarantie biedt voor de kwaliteit van de dienstverlening van een zorgverlener. HKZ vertegenwoordigt binnen de gezondheidszorg het hoogst haalbare kwaliteitsniveau.
certificatie schema versie 2001 , uitgegeven door de stichting HKZ
Om dit certificaat te verdienen moest er een uitgebreid traject worden doorlopen. Mirabediny was na een intensief proces in 2009 zover dat we het certificaat in ontvangst mochten nemen.